- wash
- adj. kan gewassen worden--------n. was; wassen; afwas; schoonmaak; wasmiddel; laag; golfslag--------v. wassen; schoonmaken; afwassen; overstromen; overtrekken (met verf)wash1[ wosj]I 〈telbaar zelfstandig naamwoord〉1 was ⇒ het wassen2 vieze, waterige troep ⇒ slootwater, slappe thee♦voorbeelden:1 give something a wash • iets wassenhave a wash • zich wassenII 〈telbaar en niet-telbaar zelfstandig naamwoord〉1 was(goed)♦voorbeelden:1 a large wash • veel wasgoedIII 〈niet-telbaar zelfstandig naamwoord〉1 golfslag2 zog ⇒ kielwater3 spoelwater♦voorbeelden:¶ 〈informeel〉 it'll come out in the wash • het zal wel loslopen/in orde komen————————wash2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 zich wassen ⇒ zich opfrissen2 gewassen (kunnen) worden3 〈informeel〉geloofwaardig zijn4 breken 〈van golf〉♦voorbeelden:3 that argument won't wash • dat argument gaat niet opit won't wash with him • hij zal het niet geloven4 the waves wash against the dykes • de golven slaan tegen de dijken¶ wash ashore • aanspoelenthe stain will wash off • de vlek gaat er (in de was) wel uitII 〈overgankelijk werkwoord〉1 wassen ⇒ 〈figuurlijk〉 zuiveren2 wassen ⇒ de was doen3 afwassen ⇒ de afwas doen4 meesleuren 〈van water〉 ⇒ wegspoelen5 uitspoelen ⇒ eroderen6 wassen 〈tekening〉♦voorbeelden:1 wash clean • schoonwassenwash off • (eraf) wassen4 be washed overboard • overboord slaan
English-Dutch dictionary. 2013.